De oorspronkelijke kerk, die al in 1178 wordt vermeld, bestond uit een kleine kapel met een open klokkentorentje. Zoals destijds gebruikelijk lag het kerkhof vóór de kerk.
In de 13e of 14e eeuw lieten de heren van Maisonseule een gotische kapel bouwen, die tegen de kerk en de sacristie werd aangebouwd. Daaronder bevond zich een grafkelder, bestemd voor de overledenen van de familie Maisonseule.
Tussen de 15e en 16e eeuw werd de kerk uitgebreid. Omdat de oorspronkelijke ingang behouden bleef, bevindt deze zich tegenwoordig niet meer in het midden van het vergrote schip.
Waarschijnlijk werd tijdens deze uitbreiding het open klokkentorentje vervangen door de huidige vierkante klokkentoren. Oorspronkelijk bevatte deze twee klokken. Eén ervan zou tijdens de Franse Revolutie zijn verwijderd en omgesmolten. De overgebleven klok heeft Antoine Marie en Claudine de Maisonseule als doopgetuigen. Ze draagt een reliëfinscriptie van zes regels, gescheiden door horizontale reliëfbanden. In de tekst zijn verschillende Maltese kruisen verwerkt en twee kruisbeelden sieren de onderzijde van de klok.